Het strenge geluk: Levinas meets the Buddha

Het strenge geluk: Levinas meets the Buddha

In “brief aan het andere kind” beschreef ik drie maatschappelijk relevante manieren om verschil te duiden. Er is verschil zat, maar hoe kunnen we ook effectief een verschil maken, iets teweeg brengen dat ertoe doet, dat van de wereld een beetje betere plek maakt? Hoe kunnen we onze verantwoordelijkheid opnemen, waarvan Emanuel Levinas zei dat ze ons brengt tot het ‘strenge geluk’? Deze vraag staat centraal in dit stuk. Tot slot stip ik heel kort aan welke innerlijke ecologie (of psychische hygiëne als je wil) ervoor kan zorgen dat ons “willen helpen” er ook daadwerkelijk werkt.

Hoe maken we een verschil dat ertoe doet? Hoe kunnen we iets doet dat iets wezenlijks toevoegt? De aanname die ik hier maak, is dat we au fond iets willen betekenen, een steen in de rivier willen verleggen, ook al is het niet groter dan een kiezel, en dat dit verlangen dieper en verder gaat dan ons gelukstreven. Dat geloof ik zo grondig, dat ik er een even grondige hekel aan heb als mensen die overtuiging in vraag stellen. Maar misschien hebben zij wel gelijk: op het eerste gezicht lijken de meesten niet bijzonder naar dit gepostuleerd verlangen te leven. Mensen lijken gewoon hun leven te leven. Ze doen elke dag hun werk, kijken daarna tv en gaan slapen. We lijken meer te leven naar wat ons comfort biedt dan naar onze principes. We willen wel een betere wereld en hebben zelf een vage visie over hoe dat er zou kunnen uitzien, maar waarom zouden we ons ertoe bewegen als we zelf te weinig last hebben van wat er verkeerd loopt? Bovendien betekent “ons comfort nastreven” annoo 2015 in het Westen vooral: lekker consumeren. De pianovirtuoos Seymour Bernstein wijst er in een documentaire op dat in “recreatie” het woord “creatie” zit: echte recreatie brengt ons dichter bij het creatief proces. Als we piano leren spelen, is het haast natuurlijk dat we daarbij onze eigen riedeltjes in elkaar knutselen. Als we iets maken, vergroten we de kans dat we ook een verschil maken. Maar de meesten maken niet zoveel met hart en ziel. Is dat verkeerd? Neen, maar zo mislopen we een belangrijke bron van levensvreugde voor onszelf én anderen, is mijn overtuiging. Dit is dus meteen ook mijn antwoord op de vraag waarom we globaal beschouwd als samenleving tegelijk behoorlijk rijk en enigszins depressief (lees: in verhouding niet echt gelukkig) door het leven gaan.

Emmanuel Levinas, zoals meesterlijk uitgelegd en naar de praktijk vertaald door Jan Kleij (2012), biedt een diepgaande kijk op hoe verantwoordelijkheid ontstaat en waartoe dit ons aanzet. Ik probeer iets aan zijn denken toe te voegen vanuit wat ik in het Boeddhisme tegenkom en vertaal dit naar wat helpen betekent, of kan betekenen. Om verantwoordelijkheid te begrijpen, zo stelt Levinas, is het belangrijk om goed voor ogen te houden dat we genietend én lijdend door het leven gaan. De mogelijkheid tot genieten en lijden betekent dat we niet zomaar kunnen doen wat we willen. Laten we beide posities aan een kort, verkennend onderzoek onderwerpen.

Eerste positie: genieten

Wat ik verfrissend vind aan het denken van Levinas (volgens Keij, 2012), is dat hij de mens voorstelt als een genietend wezen, een wezen dat uit is op genot, en dat het zo hoort te zijn: we mogen genieten. Dat zit om te beginnen in ons basaal functioneren: eten is genieten, ontlasten is genieten. Als hobbyist genieten we: als we koken, muziek spelen, sporten, in de tuin werken… Ook geniet we van het werk dat vooruit gaat. Een taak volbrengen. Nadenken over de dingen, filosoferen, iets uitleggen aan iemand, beleren: ook dat is genieten. We kunnen genieten van ons oordeel over de wereld, en nog duidelijker: van ons (minachtend) oordeel over anderen. Ook genoot ik van Levinas in de praktijk, het boek van Jan Keij, en ik geniet nu van het schrijven van deze tekst. Ik geniet als inzicht zich in mijn hoofd uitkristalliseert, als ik op die manier vat krijg op de wereld, tot begrijpen kom. Begrijpen is een grijpen, de wereld naar onze hand zetten in ons hoofd. Wat is het dan dat ons doet genieten? Het antwoord van Levinas is dat we genieten op het moment dat we de wereld waarvan we afhankelijk zijn, aan onze wil onderwerpen. De wereld is als voedsel dat ik tot mij neem. Ik heb voedsel nodig: ik ben ervan afhankelijk. Ik geniet als ik dat voedsel consumeer. Ik geniet: ik bemin de wereld die zich aan mij onderwerpt. In het genot ligt het accent op mij als actor, als degene die de werkelijkheid bemeestert. Ik beheers mijn wereld. Levinas lijkt hier wel te knipogen naar der Wille zur Macht van Nietszche. Genot, dat is management, besturen. Genieten zelf is een manipulatie, en onze genietingen organiseren is ook een manipulatie: we grijpen naar het aangename en ontwijken het onaangename. Dat maakt deel uit van ons basaal functioneren als “voelend wezen”.

We ervaren ons op die momenten van genot als vrij, autonoom en noodzakelijk! Genot: onszelf als een (half)god in het centrum plaatsen van het heelal, van het universum dat geschapen is om ons op onze wenken te bedienen. Hebben we daar dan geen recht op? Levinas stelt positief dat we als mens mogen genieten, dat genieten inherent is aan ons mens-zijn. We hoeven ons daar niet schuldig om te voelen, maar – zo stelt hij – als we enkel uit zijn op genot, doen wijzelf geen recht aan ons gehele mens zijn. Moest het al mogelijk zijn dat het leven een aaneenschakeling is van spreekwoordelijke orgasmes, dan zullen we daarin als mens geen vervulling vinden. Er is dus iets meer dan genot dat vreugde schept. Dat wordt duidelijker als we naar onze tweede positie kijken.

Tweede positie: lijden

De keerzijde van genot is pijn. De keerzijde van genotszucht is frustratie. Pijn en frustratie proberen we te vermijden. Maar daar zijn we dikwijls niet toe in staat. Onze hang naar genot maakt ons kwetsbaar, want de werkelijkheid schikt zich niet altijd naar onze wensen. Pijn toont ons dat we de werkelijkheid niet altijd zomaar naar onze hand kunnen zetten. We kunnen een pijnstiller slikken, maar ook die heeft neveneffecten. Was het Jean-François Lyotard die schreef dat we niet veel meer nodig hebben dan een goeie uitleg om iemand te doden? Maar de pijn waaronder we zelf lijden, laat zich niet temmen door een theorie. Pijn ontsnapt aan rationalisatie en we kunnen haar onmogelijk in ons voordeel recupereren. We zitten in de val en er is geen uitweg. “Pijn obsedeert. (…) Ik lijd en ben tegelijk object van mijn lijden, teruggeworpen op mijzelf in een ‘onbewoonbaar verklaarde’ wereld“ (Keij, 2012, p.63).

Naast fysieke pijn is er ook psychisch lijden. Lijden: we plannen een feestje en het loopt net anders dan voorzien. We zijn de werkelijkheid niet helemaal meester. Helemaal niet. “What makes God laugh? People making plans.” Soms lijkt de werkelijkheid ons in ons gezicht uit te lachen en luid “You can’t always get what you want” te zingen. De werkelijkheid houdt ons in haar greep, en als we daar zelf niet mee kunnen lachen, dan gaan we vastgepind en als bezeten tekeer. We zijn dan bezeten door een werkelijkheid waaraan niet te ontsnappen valt. Waar we eerst de werkelijkheid gulzig verslonden, is het nu aan diezelfde werkelijkheid om ons te verslinden. Vroeg of laat zijn we vogel voor de kat. “Bewustzijn van de pijn is hier weten dat het bewustzijn ten prooi is aan wat het zou willen reguleren” (Kleij, 2012, p.64). In de fleur van ons leven – en als we jong, intelligent, knap, blank, man en dus succesvol zijn – lijkt dit nog allemaal mee te vallen, maar onvermijdelijk worden we vroeg of laat geconfronteerd met ziekte, ouderdom en sterven. We hebben het niet willen zien of geloven, maar nu blijkt dat we niet aan de vergankelijke aard van de werkelijkheid ontsnappen, dat we er net integraal deel uit maken. Die confrontatie kan de vechtersbaas in ons verleiden om nog meer vastberaden en verbeten in te zetten op ons eigen genot – nu het nog kan. En: “après moi, le déluge”. (“Après toi? L’humanité !”)

Zowel de positie van genieten als die van lijden zijn zelfbetrokken van aard. En toch kan lijden een brug zijn naar een betrokkenheid op de ander. Dat kan als we ons eigen lijden eerlijk in de ogen durven kijken. Lijden kan ons zo wekken “uit de gezapige sluimer van de zelfhandhaving” (Kleij, 2012, p.70). Als we ‘diep’ naar ons lijden – en zo naar onze menselijke existentie – kijken, dan overbruggen de diepe kloof tussen onszelf en de andere. Zo kan er ontmoeting ontstaan.

Verantwoordelijkheid

Onze wereld wordt niet alleen verstoord door fysieke pijn en doorkruiste plannen, maar ook door de simpele aanwezigheid van de andere. Je zit net aan tafel en er wordt aangebeld. Vanuit de eenvoudige aanwezigheid van de andere gaat een appèl uit. Dat appèl verstoort onze genietingen, spot met onze autonomie én stelt ons verantwoordelijk. Reden genoeg om hier ongeduldig, gefrustreerd en agressief op te reageren. Ik verlies immers mijn zelfbeschikking, mijn alleenheerschappij. Ik blijk niet langer koning te zijn in Ik-land. We kunnen terugslaan of ons afsluiten. Misschien maken we onszelf zelfs wijs dat we daar recht op hebben. Maar, zo merkt Levinas op, van het appèl van de andere gaat een niet vrijblijvende kracht uit. We kiezen niet voor de relatie met de andere, maar “we worden in relatie gesteld”. We worden gegijzeld, in de ban geslagen, in beslag genomen door de relatie, door de aanwezigheid van de andere en door het appèl dat van zijn aanwezigheid uit gaat. Het niet-vrijblijvende karakter van het appèl zit ook in de inherent ethische aard ervan. Als ik het appèl negeer, en daarvoor kan ik kiezen, dan negeer ik mezelf als mens. Eenzijdig egoïstisch je eigen belang en je eigen genot nastreven, vreet een mens van binnenuit op. De ‘orgastische’ mens is niet gelukkig. Ik heb te antwoorden, wil ik een mens zijn – en in dat antwoord word ik mens. Er gaat een “moeten” vanuit. We worden in de relatie verantwoordelijk gesteld.

Dat we moeten is duidelijk, maar wat we moeten blijft onbepaald. Daarom is dat “moeten” niet normatief van aard. Het is op zich niet ingevuld door maatschappelijke verwachtingen. Het wordt ook niet bepaald door de eis of het verzoek van de andere. Het is niet de andere die me tot iets verplicht. Het is het appèl dat inherent is aan zijn aanwezigheid. Keij geeft een erkenbaar voorbeeld. Hij zit in de keuken een appel te schillen. Zijn vrouw komt binnen. Door haar aanwezigheid wordt hij voor de keuze geplaatst die appel met haar te delen. Zij vraagt daar niet naar. Mogelijk verwacht ze het niet eens. Toch kan het goed zijn om haar een stuk aan te bieden. Omgekeerd: een kind vraagt je om een zoveelste snoepje. Het appèl dat van het kind uitgaat, is niet gelijk aan zijn vraag. Je kan bijvoorbeeld antwoorden: “Nee, je krijgt geen snoep. Verveel je je? Met wie zou je een gezelschapsspel kunnen spelen?” Wat we te doen hebben, hangt af van de situatie van de andere, van onszelf, van de specifieke context waarin we ons bevinden, van de gevolgen op derden en op langere termijn. Ons antwoord is een zoeken naar wat goed is zonder dat duidelijk te (kunnen) weten.

Wat helpen is…

Levinas’ uit levenservaring gegrepen beschouwingen over genieten, lijden en verantwoordelijkheid inspireren me om eens te herdenken wat helpen is en wat niet. Eerst stel ik de vraag: “hoe helpen?” en daarna ga ik in op de vraag “waartoe helpen?”

Zoals net gesteld is gevolg geven aan een appèl, (helemaal) niet hetzelfde als een verzoek inwilligen. We helpen het kind niet sowieso door hem het snoepje te geven waar hij naar vraagt. Helpen is wél bestaansrecht geven aan de latent én manifeste behoeften van de andere, het kind in dit geval. Dit bestaansrecht geven is niet gelijk aan het automatisch vervullen van die behoefte. Soms is het goed om mensen liefdevol “op hun honger” te laten zitten, niet om hen onnodig te kwellen, maar om hen te helpen een bewuste relatie aan te gaan met hun behoeften, zodat ze keuze krijgen in het al dan niet invullen van die behoeften. Als je kind meldt dat hij zich verveelt, dan kan je een activiteit voorstellen (zoals ik hierboven deed), maar dan probeer je zijn probleem even voor hem op te lossen. Je maakt hem zo afhankelijk van je eigen ideeën (waarin hij kan meegaan én waartegen hij zich even goed kan verzetten). Oppervlakkig gezien is dat helpen. Je kan ook zeggen: “Als je je verveelt, dan heb je tijd om na te denken over wat je zou kunnen doen.” Dat is geen leuke opmerking, maar je nodigt het kind uit om iets constructief te doen met zijn verveling. Je helpt het kind om zich te verhouden tot zijn eigen situatie en om van daaruit keuze te laten ontstaan. Wij, volwassenen, zijn niet anders dan kinderen: we willen onze verwachtingen en wensen in vervullingen zien gaan. Maar de werkelijkheid is dikwijls anders en dan is het goed om ons bewust te zijn van hoe we met die frictie omgaan. Als deelnemers in een opleiding meer structuur willen, dan help ik hen niet noodzakelijk door hen meer structuur te geven. Toch word ik mee verantwoordelijk gesteld door de andere en zijn verlangen naar structuur. Ik heb er iets mee te doen. Maar wat? Dat is zoals gesteld onduidelijk. Maar dat ontslaat ons niet van de verantwoordelijkheid om er iets mee te doen. De andere écht willen helpen laat zich niet terugbrengen tot recepten.

Helpen kan maar vanuit gedienstigheid – dat is de basis van procesbegeleiding. Dat staat in spanning met helpen opgevat als ‘het probleem oplossen’, ‘het zaakje regelen’, ‘fixen’, waarin de helper erop uit is de wereld te onderwerpen aan zijn eigen inzicht en advies. Dat is niet noodzakelijk verkeerd, verre van, maar de belangrijke vraag is van waaruit dat de helper daartoe neigt. Is hij uit op het wegwerken van zijn eigen discomfort in het aanschijn van de problematiek waarin de andere zich vooral zichzelf. De ervaren coach kan ‘goochelen’ met de psyche van de cliënt. De charismatische begeleider kan ‘goochelen’ met de dynamiek van de groep. Maar ter eer en glorie van wie? Gedienstigheid is daarentegen voorwaarden scheppen opdat de geholpene zijn eigen vrijheid hervindt. Die hervonden vrijheid bestaat uit drie elementen, overeenstemmend met de driedeling genieten, lijden en verantwoordelijkheid. Hier gaan we in op de vraag “waartoe helpen?” Hieronder geef ik vier antwoorden.

1. Helpen: mensen leren genieten. Zenmeester Thich Nhat Hanh raadt ons om te genieten van onze ademhaling, van het contact van onze voeten met de grond als we wandelen. We genieten meer danwe beseffen. En er valt veel meer te genieten, als we bewust en wakker door het leven gaan. Je zou drie gradaties van genieten kunnen beschrijven: (1) Genieten als onszelf “dood amuseren”, zoals we in een pretpark kunnen “zappen” van de ene attractie naar de andere. “Entertain me!” We ondergaan zinnenstrelend. Met popcultuur of Cultuur. (2) Genieten zoals Levinas het lijkt op te vatten: de werkelijkheid aan onze wil onderwerpen. Iets onder de knie krijgen. Manipuleren in de meest brede zin van het woord. (3) We kunnen ook genieten door de werkelijkheid eerder te volgen dan aan te sturen, door er eenvoudigweg in aanwezig te zijn. Dit soort genieten is ons misschien vreemd omdat het veel subtieler is dan het genieten van het eerste soort en ook subtieler dan dat van het tweede soort, maar we kunnen het wel ontdekken. Als we leren genieten van eenvoudigweg aanwezig te zijn in wat er gebeurt, dan wordt het leven plots letterlijk veel goedkoper en figuurlijk veel rijker! Genieten door los te laten, door onszelf te laten zijn, zorgt ervoor dat we met minder meer tevreden zijn. We hoeven niet zo veel, want we hebben oog voor wat er is. We zijn minder verknocht aan, minder afhankelijk van het object van ons genot. In ons streberig genotsstreven wanen we ons dikwijls een speler, maar in feite zijn we een speelbal van het object van ons verlangen. Als we meer eenvoudigweg aanwezig zijn in wat er is en we minder grijpen naar genot, dan dient er zich een ‘ander’ genieten aan. Mensen leren genieten kan erin bestaan hen meer te brengen naar die subtielere vormen van genieten die meer met “zijn” te maken hebben en minder met “hebben” en “doen”.

2. Helpen: mensen leren omgaan met pijn en lijden. Zoals we grijpen naar genot, duwen we pijn en lijden ook weg. Dat zijn twee kanten van dezelfde medaille. Maar aan pijn en lijden valt niet te ontsnappen. Als we verkrampen in die pijn en dat lijden, dan voegen we enkel pijn en lijden toe. Pijn “volgen” maakt het leven minder pijnlijk. Als we aanwezig zijn in ons lijden, dat lijden toelaten, bestaansrecht geven, dan verzacht we het leven. (En dit is geen fantasie van iemand die in mei 68 geen puber is kunnen zijn: je kan het makkelijk zelf uittesten. En er bestaat veel proefondervindelijke evidentie voor.)

3. Helpen is mensen ook opnieuw gevoelig maken voor het appèl van de andere. Om ons levenscomfort te garanderen, hebben we geïnvesteerd in een schild waarmee we ons beschermen. Achter dat schild zit een raakbaar wezen en dat wezen zijn wij. Door het appèl van de andere kunnen we worden geraakt – in een onbewaakt moment. “Het appèl van de andere doet me ontwaken tot mezelf” (Kleij, 2012, p.87) Het maakt me tot mens. Het maakt me volledig. Dit is het ‘strenge geluk’ van de verantwoordelijkheid, dat staat tegenover het gemakkelijke, voor de hand liggende geluk van genieten, “dat in zijn bevrediging heel onbevredigend kan zijn” (Kleij, 2012, p.96). Genieten: ervaringen meenemen in ons graf. En rond dat graf staan onze nabestaanden die denken: “We houden van je, geliefde overledene. Je hebt goed voor jezelf gezorgd, maar wat heb je de wereld gebracht?” Verantwoordelijkheid: de wereld iets brengen, iets bijdragen dat van waarde is, en dat is menselijkheid. Verantwoordelijkheid ontstaat dus als we durven raakbaar in het leven staan.

4. En dan is er nog een vierde gedaante van écht helpen. En dat is anderen helpen helpen, en dat kan maar als we de andere helpen zoeken naar wat goed is. Dat vraagt open onderzoek, twijfel, (zelf)kritiek, vooroordelen en conclusies in vraag stellen, lerend in het leven staan. Dat vraag om de vraag “wat is goed?” lief te hebben, zonder makkelijk comfort te zoeken in een voor de hand liggend antwoord. Jacques Derrida schreef ergens: “deconstructie is rechtvaardigheid” (in Kleij, 2012). Als we dat open onderzoek niet verdragen, dan zullen we de andere niet zien, ons gedrag rationaliseren, gekwetst en gefrustreerd geraken in onze poging van dienst te zijn, cynisch worden in de confrontatie met de onbereikbaarheid van menselijkheid en rechtvaardigheid, en uiteindelijk zullen we onszelf ongevoelig maken voor het appèl van de andere. Als we niet onderzoekend leven, dan sluiten we ons af, en zoals iemand me zei: “mensen die niet in contact staan met de werkelijkheid, hebben zichzelf verhard”.

Hierboven schreef ik dat we achter een schild leven dat ons behoed voor het appèl van de andere. Het is courant te denken dat we dat schild in zekere mate nodig hebben om onszelf te beschermen en aan zelfzorg toe te komen. Dat zou kunnen, maar wat ook zou kunnen is dat we – eerder dan een pantser – een sterke ruggengraat nodig hebben, en die bestaat erin dat we in staat zijn de werkelijkheid open waar te nemen, die werkelijkheid te volgen en er raakbaar en liefdevol in aanwezig te zijn.

Referentielijst

De Weerdt, S. (2012). Dansen met de wereld. Psychologie van de ontmoeting. Academic & Scientific Publishers.

Kleij, J. (2012). Levinas in de praktijk. Klement/Pelckmans.

Krishnamurti, J. (2002). Over de waarden van het leven. Synthese - Mirananda.

Facebook Twitter Google+ LinkedIn
Last modified ondinsdag, 29 december 2015 16:38
(0 votes)
+32 (0)473 490 568
 
×

Log in